Op 1 januari 2024 bedroeg het doorsnee vermogen van huishoudens met een hoofdkostwinner van 55 tot 65 jaar € 250.200, tegenover € 13.500 bij 25- tot 35-jarigen. Maar ook binnen één leeftijdsgroep kan een bedrag een scheef beeld geven: het gemiddelde bij 55- tot 65-jarigen lag volgens het CBS op ongeveer € 487.000. Bovendien bestond in 2024 58 procent van de bezittingen van Nederlandse huishoudens uit de eigen woning. Voor een starter of huiseigenaar maakt dat uit als je je financiële positie vergelijkt met die van leeftijdsgenoten.
Bij jonge en oudere huishoudens liggen de bedragen ver uiteen
De 8,3 miljoen huishoudens in Nederland hadden op 1 januari 2024 volgens het CBS samen € 3.770 miljard aan bezittingen en € 1.015 miljard aan schulden. Hun gezamenlijke vermogen kwam uit op € 2.754 miljard. Per huishouden lag het gemiddelde op € 333.500. Dat gemiddelde wordt omhooggetrokken door huishoudens met veel vermogen en zegt daardoor weinig over het bedrag waarmee jij jezelf het best kunt vergelijken.
Ook tussen oudere groepen zit verschil. In de CBS-cijfers over 2024 bereikt het doorsnee vermogen zijn hoogste punt bij huishoudens waarvan de hoofdkostwinner 65 tot 75 jaar is. Het gemiddelde ligt in die groep juist onder de piek die in de intro staat. De tabel laat ook zien hoe weinig vermogen het huishouden in het midden van de jongste groep heeft.
| Leeftijd hoofdkostwinner | Gemiddeld vermogen | Doorsnee vermogen |
|---|---|---|
| Tot 25 jaar | € 24.900 | € 300 |
| 65 tot 75 jaar | € 450.800 | € 276.900 |
| 85 jaar en ouder | € 336.900 | € 139.400 |
De rol van het huis
Vermogen is wat een huishouden bezit, na aftrek van zijn schulden. Een koopwoning telt dus mee voor de waarde van het huis, terwijl de openstaande hypotheek het vermogen verlaagt. Dat maakt uit voor de vergelijking: een hogere woningwaarde levert op papier meer vermogen op, maar het bedrag zit nog steeds in het huis. Het is geen geld op je betaal- of spaarrekening.
Hoe groot die rol kan zijn, blijkt uit eerdere CBS-cijfers. Begin 2022 had bijna 6 op de 10 huishoudens een eigen woning. Die woningen vormden in dat jaar 62% van alle bezittingen van huishoudens. Een vergelijking op basis van totaal vermogen zet dus vaak huishoudens mét een huis naast huishoudens zonder koopwoning. Zelfs als hun spaargeld dichter bij elkaar ligt, kan hun totale vermogen flink verschillen.
Het CBS becijferde voor begin 2022 in totaal € 3.421 miljard aan bezittingen en € 931 miljard aan schulden. Wat overbleef, was € 2.490 miljard aan vermogen. Schulden horen dus bij het plaatje. Wie alleen naar de waarde van een huis kijkt en de hypotheek vergeet, schat het eigen vermogen te hoog in.
Na je 75e verschuift de balans
De CBS-cijfers over 2024 laten na 75 jaar een daling van het gemiddelde vermogen zien. Bij huishoudens met een hoofdkostwinner van 75 tot 85 jaar lag dat op € 417.900. Het huishouden in deze leeftijdsgroep is daarmee niet zomaar te vergelijken met een huishouden dat net de pensioenleeftijd heeft bereikt.
Volgens het CBS hebben huishoudens boven de 75 minder vaak een eigen woning dan huishoudens van 65 tot 75 jaar. Ook zijn hun aanvullende pensioenen lager. Daardoor kun je uit het vermogen van jongere ouderen niet afleiden hoe de financiële situatie van de oudste groep eruitziet. Een koopwoning en de resterende schuld bepalen naast de leeftijd mede wat het vermogenscijfer zegt.
Rekenvoorbeeld
Neem twee leeftijdsgroepen uit de CBS-cijfers over 2024. Bij huishoudens waarvan de hoofdkostwinner 25 tot 35 jaar was, lag het gemiddelde vermogen op ongeveer € 95.900. Bij 35- tot 45-jarigen was dat ongeveer € 246.400. Het verschil is eenvoudig uit te rekenen: € 246.400 min € 95.900 is € 150.500.
Die som beschrijft geen huishouden dat tien jaar lang € 150.500 heeft gespaard. Het zijn twee verschillende groepen huishoudens op dezelfde peildatum. Bovendien gaat het om gemiddelden, die sterk kunnen worden beïnvloed door huishoudens met veel vermogen. Voor je eigen vergelijking telt dus zowel de juiste leeftijdsgroep als de vraag of je naar het gemiddelde of naar het middelste bedrag kijkt.
Ook buiten de woning is vermogen ongelijk verdeeld
Een huis verklaart een groot deel van het verschil. Toen het CBS voor begin 2022 de waarde van koopwoningen én de bijbehorende hypotheekschulden buiten beschouwing liet, bleek 79% van het resterende vermogen in handen van de rijkste 10% van de huishoudens. Ook zonder woningvermogen is de verdeling dus behoorlijk scheef.
Begin 2023 had volgens het CBS 5% van de particuliere huishoudens een vermogen van € 1 miljoen of meer. Dat helpt verklaren waarom een gemiddeld bedrag zoveel hoger kan liggen dan het bedrag van het huishouden in het midden. Een hoog gemiddelde betekent niet dat de meeste huishoudens in een leeftijdsgroep daarbij in de buurt komen.
De woningmarkt bleef intussen bewegen. Volgens het CBS waren bestaande koopwoningen in juni 2026 4,1% duurder dan een jaar eerder. Dat kan de vermogenspositie van huiseigenaren veranderen, maar het is geen nieuwe meting van het vermogen per leeftijdsgroep. Gebruik de bedragen hierboven daarom als vergelijking op hun peildatum, niet als een actuele stand van je huiswaarde.
Wat dit voor jou betekent
Vergelijk je je met huishoudens van 35 tot 45 jaar, kijk dan eerst naar het doorsnee vermogen van € 120.100 op 1 januari 2024. Het CBS deelt huishoudens in naar de leeftijd van de hoofdkostwinner. Controleer dus welke leeftijdsgroep bij jouw huishouden hoort, in plaats van alleen naar je eigen leeftijd te kijken.
Voor huishoudens met een hoofdkostwinner van 45 tot 55 jaar bedroeg het doorsnee vermogen op diezelfde peildatum € 187.400, tegenover gemiddeld ongeveer € 395.000. Check welk van die twee cijfers je gebruikt wanneer je jouw spaargeld, beleggingen en eventuele woningvermogen naast de CBS-cijfers legt.
Bijna zes op de tien hadden volgens het CBS in 2024 een eigen woning. Heb je er zelf een, neem dan voor je vergelijking ook de openstaande hypotheek mee. Heb je geen koopwoning, houd er rekening mee dat huizenbezit zwaar meetelt in het vermogen van veel andere huishoudens. Zet je bezittingen en schulden naast elkaar en bepaal welke leeftijdsgroep en welk middelste bedrag bij jouw situatie passen, bijvoorbeeld € 120.100 bij 35- tot 45-jarigen.
De laagste hypotheekrentes bij 10 jaar rentevast, per geldverstrekker (stand 4 oktober 2026):
| Geldverstrekker | Product | Met NHG | Tot 80% woningwaarde | Tot 100% woningwaarde |
|---|---|---|---|---|
| Centraal Beheer Groen Leef Hypotheek | 3,78% | 3,93% | – | |
| ASR WelThuis | 3,83% | 3,83% | 3,83% | |
| Woonfonds Groen Woongenot Hypotheek | 3,83% | 3,98% | 3,98% | |
| Hypotrust Groen Woon Bewust Hypotheek | 3,86% | 3,87% | – | |
| Argenta Groen Hypotheek | 3,94% | 4,15% | 4,15% | |
| Syntrus Achmea Groen Basis | 4,01% | 4,40% | – |
Bronnen : CBS, overheid.nl, knab.nl, debelegger.nl, crypto-insiders.nl
Dit artikel bevat algemene informatie en is geen persoonlijk financieel advies.