In 2021 betaalden huishoudens van 18 tot 25 jaar gemiddeld € 726 per maand aan wonen, tegenover € 849 bij 25- tot 30-jarigen, blijkt uit CBS-cijfers. Toch ging bij de jongste groep een groter deel van het besteedbaar inkomen op aan woonlasten: gemiddeld 53,3%, tegen 34,3% bij de oudere groep. Dat verschil kwam vooral doordat 25- tot 30-jarigen meer te besteden hadden. Voor jonge huishoudens drukten de woonlasten ondanks een lager maandbedrag zwaarder op het inkomen dan bij oudere leeftijdsgenoten.
Ook na je 65e ligt het aandeel woonlasten hoog
Bij alleenwonende huurders van 65 jaar en ouder bedroeg de mediane woonquote in 2022 28,5%, blijkt uit cijfers van het CBS. Dat lag bijna op het niveau van de jongste groep. Oudere alleenwonenden vormen dus ook een groep bij wie de huur relatief zwaar op het inkomen drukt.
Alleenwonende huurders van 35 tot 65 jaar zaten in 2022 op 28,0%. Dat was het laagste aandeel van de drie leeftijdsgroepen die het CBS vergeleek. De verschillen lijken klein, maar het gaat om het deel van je inkomen dat na belasting beschikbaar is. Een vergelijkbare huur kan daardoor voor twee huishoudens heel anders uitpakken.
Hoe lees je zo’n woonquote?
Een woonquote laat zien welk deel van het besteedbaar inkomen naar wonen gaat. Het CBS gebruikt bij de vergelijking tussen alleenwonende huurders de mediane woonquote: het middelste percentage als je alle huishoudens op volgorde zet. Dat is iets anders dan een gemiddelde. De percentages uit de intro over jonge huishoudens kun je daarom niet rechtstreeks naast die van alleenwonende huurders leggen.
Je leeftijd verklaart ook niet het hele verschil. CBS-onderzoek naar generaties laat zien dat bij jongere huishoudens doorgaans een groter deel van het inkomen aan wonen opgaat. Tegelijk daalde de gemiddelde woonquote per leeftijd door de tijd heen, doordat inkomens sterker stegen dan woonlasten. Een hoge woonquote weerspiegelt dus de verhouding tussen het inkomen en de woonlasten.
Huurders en kopers staan er anders voor
Voor alle huurders samen lag de mediane woonquote volgens het CBS in 2022 op 25,5%. Bij huishoudens met een koopwoning was dat 16,6%. Het verschil bedroeg daarmee 8,9 procentpunt. Het gaat hier om twee groepen huishoudens, niet om een vergelijking van de huur en hypotheeklasten van mensen met hetzelfde inkomen of dezelfde leeftijd.
Ook tussen generaties is inkomen niet het hele verhaal. Het CBS stelde in 2026 vast dat jongere generaties, zoals millennials, op dezelfde leeftijd doorgaans meer koopkracht en vermogen hebben dan oudere generaties, zoals babyboomers. Toch is het eigenwoningbezit bij jongere generaties niet altijd groter. Meer te besteden hebben en een koopwoning bezitten gaan dus niet altijd samen.
Rekenvoorbeeld: welke lasten stegen het hardst?
Van 2018 tot en met 2023 liepen de mediane woonlasten volgens het CBS bij de drie woongroepen verschillend op. Huurders buiten woningcorporaties zagen de grootste stijging.
| Woongroep | Stijging mediane woonlasten, 2018-2023 |
|---|---|
| Huurders van een niet-woningcorporatie | 23% |
| Huurders van een woningcorporatie | 11% |
| Eigenaren | 6% |
Het verschil tussen de hoogste en laagste stijging is 17 procentpunt. Zo’n percentage vertelt je hoeveel de lasten binnen een groep veranderden; het extra maandbedrag in euro’s verschilt per huishouden. Daarvoor moet je ook het oorspronkelijke maandbedrag kennen. De tabel laat vooral zien waarom jouw soort woning ertoe doet als je woonlasten vergelijkt.
Landelijk daalde het aandeel woonlasten toch
Ondanks de gestegen bedragen ging landelijk een kleiner deel van het inkomen naar wonen. De mediane woonquote daalde volgens het CBS van 24,1% in 2018 naar 20,1% in 2024, een verschil van 4,0 procentpunt. Het besteedbaar inkomen groeide in die periode namelijk sterker dan de woonlasten. Die landelijke daling neemt de verschillen tussen huurders en eigenaren niet weg.
Voor wie een hypotheek wil afsluiten, gebruikt het Nibud een andere soort woonquote. Het stelt financieringslastpercentages vast: normen die bepalen welk deel van je bruto-inkomen maximaal aan hypotheeklasten mag worden besteed. Voor 2026 zijn er aparte normen voor mensen vóór en vanaf de AOW-leeftijd. Het Nibud rondt de percentages sinds dat jaar af op 0,1 procentpunt in plaats van 0,5 procentpunt. Een leennorm bepaalt hoeveel je aan hypotheeklasten mag besteden; je werkelijke woonuitgaven kunnen daarvan afwijken.
Wat dit voor jou betekent
- Huur je alleen? Vergelijk je eigen woonquote met die van alleenwonende huurders in jouw leeftijdsgroep. Deel daarvoor je woonlasten door je besteedbaar inkomen; een maandbedrag op zichzelf vertelt je weinig.
- Vergelijk je huren met kopen? Houd er rekening mee dat de CBS-cijfers verschillende groepen huishoudens beschrijven. Gebruik het verschil tussen hun woonquotes niet als voorspelling voor jouw persoonlijke maandlasten.
- Heb je koopplannen? Check bij een hypotheekberekening welke Nibud-norm voor jouw leeftijd geldt. Die norm gebruikt je bruto-inkomen, terwijl je voor je eigen huishoudboekje vooral wilt weten wat er maandelijks overblijft.
Vergelijk je huidige woonlasten met je inkomen en bereken bij koopplannen ook wat de maandlasten van een hypotheek voor jou zouden zijn, aan de hand van de Nibud-norm voor 2026.
De laagste hypotheekrentes bij 10 jaar rentevast, per geldverstrekker (stand 28 september 2026):
| Geldverstrekker | Product | Met NHG | Tot 80% woningwaarde | Tot 100% woningwaarde |
|---|---|---|---|---|
| Centraal Beheer | Groen Leef Hypotheek | 3,60% | 3,76% | – |
| Woonfonds | Groen Woongenot Hypotheek | 3,65% | 3,81% | 3,81% |
| Hypotrust | Groen Woon Bewust Hypotheek | 3,69% | 3,76% | – |
| ASR | WelThuis | 3,76% | 3,76% | 3,76% |
| Argenta | Groen Hypotheek | 3,86% | 4,07% | 4,07% |
| Syntrus Achmea | Groen Basis | 3,96% | 4,35% | – |
Bronnen : CBS, Nibud, Rijksoverheid, fintool.nl, infinance.nl
Dit artikel bevat algemene informatie en is geen persoonlijk financieel advies.